top of page
 
De Werkgroep Bryologie en Lichenologie (WBL) is de werkgroep voor mossen- en korstmossenonderzoek in Vlaanderen. Regelmatig organiseren wij excursies waarbij het determineren en inventariseren van deze groepen centraal staat. Op deze activiteiten zijn zowel beginners als kenners van harte welkom. Verder verricht WBL onderzoek naar deze miniatuurnatuur en delen we onze kennis met éénieder die erin geïnteresseerd is.
 

Lichenologisch verslag van een inventarisatie door de VWBL.

Aan zon was geen gebrek op de voorspelde snikhete dag met temperaturen boven de 30°. Met een busje werden op 27/05/2017 de 14 deelnemers vervoerd van het Pliniuspark naar onze eerste locatie, een restant van een Romeise muur in de Sabinuslaan (foto 1).

Foto 1: Lichenologen aan het werk

Foto 1: Lichenologen aan het werk


Bijzonder was de talrijke aanwezigheid van Klein leermos (Peltigera rufescens) op de bovenkant van de muur naast een aantal soorten van het geslacht bekermos (Cladonia): Frietzakbekermos (C. humilis), Kopjesbekermos (C. fimbriata), Smal bekermos (C. coniocraea) en Kronkelheidestaartje (C. subulata). Het meest vooorkomende korstmos op het gesteente was overduidelijk Muurschotelkorst (Lecanora muralis). Ook drie soorten van het geslacht Dooiermos (Xanthoria) waren talrijk aanwezig: Groot dooiermos (X. parietina), Oranje dooiermos (X. calcicola) en Rood dooiermos (X. elegans, foto 2). Op de blokken silex was Steenstrontjesmos (Buellia aethalea, foto 3) de meest dominante soort.


Foto 2. Rood dooiermos (Xanthoria elegans )

Foto 2: Rood dooiermos (Xanthoria elegans)


Foto 3: Steenstrontjesmos (Buellia aethalea)


Meest bijzonder was Bleek dijkzonnetje (Caloplaca subpallida) in Vlaanderen ons nagenoeg enkel bekend van grafzerken in groene leisteen (foto 4).


Foto 4. Bleek dijkzonnetje (Caloplaca subpallida

Foto 4: Bleek dijkzonnetje (Coplaca subpallida)


In de Cottalaan werden overwegend dezelfde soorten aangetroffen met als extra Bleek steenschubje (Acarospora rufescens), Ruw heidestaartje (Cladonia scabriuscula) en Steenspiraalkorst (Scoliciosporum umbrinium) (foto 5). Op enkele van de bekermossen had zich ook de korstmosvretende Duindaalder (Diploschistes muscorum) een plaatsje veroverd. Met het busje werden alle deelnemers terug naar het Pliniuspark vervoerd waar ons een copieuze spaghetti en een door iedereen fel gesmaakt ijsje aangeboden werd, gezien de heersende tropische temperaturen. ’s Namiddags, in de Ceasarlaan, vonden we de meest bijzondere soort van de dag: Muurkrijtkorst (Endocarpon pussilum, foto 6), een tweede vondst voor Vlaanderen.



Foto 5. Steenspiraalkorst (Scoliciosporum umbrinum)

Foto 5: Steenspiraalkorst (Scoliciosporum umbrinium)

Foto 6: Muurkrijtkorst (Endocarpon pussilum)

De eerste keer werd deze aangetroffen op mergel in de mergelgroeve Roosburg in Zichen-Zussen-Bolder (Van den Broeck 2008). Daarnaast is Kerkmosterdkorst (Caloplaca chrysodeta) met een vermelding van één enkele locatie in het Vlaams fytogeografisch district (Diederich et al. 2017) allesbehalve een alledaags verschijnsel (foto 7).

Foto 7. Kerkmosterdkorst (Caloplaca chrysodeta)

Foto 7: Kerkmosterdkorst (Caloplaca chrysodeta)


Het laatste punt van de dag betrof de Middeleeuwse wal in de Elfde Novemberwal. Hier werden heel wat extra soorten aangetroffen met als bijzonderste: Opegrapha demutata, Mosvreter (Bilimbia sabuletorum), Kerkschotelkorst (Lecanora antiqua, foto 8) en Rode kalksteenkorst (Protoblastenia rupestris).

Foto 8. Kerkschotelkorst (Lecanora antiqua)

Foto 8: Kerkschotelkorst (Lecanora antiqua)



Niet vaak gaan we op lichenologische visite bij onze zuiderburen. Dit blijkt onterecht. De opkomst was niet in overeenstemming met de soortenrijkdom en het groot aantal bijzondere soorten die we aantroffen in het natuurreservaat Heid des Gattes. Het aangekondigde slechte weer kwam aanvankelijk voor de zeven deelnemers wel water in het eten gooien. Onze streeplijsten en wijzelf werden het eerste uur getracteerd op een malse, zeg maar miezerige, regenval die gelukkig vrij snel stopte zodat we onze boterhammen droog konden opeten en onze streeplijst aan een tweede droog leven kon beginnen. Maar daar zijn we nog niet. Onze eerste aandachtspunt betrof een stuk rotswand waarop drie steriele soorten stonden. Een korst met paarsige soralen die deed denken aan Purperkring (Schismatomma decolorans) maar dan op steen, een korst met dikke groene soralen en een witte prothallusrand waar we via Sleutelen met lichenen (Vermeulen s.d.) Dijkenlichtvlekje (Bacidia viridifarinosa) (Foto 1) meenden te herkennen en nog een dikkere witte korst met eveneens paarsige soralen waar we zelfs geen poging ondernomen hebben een naam voor te vinden. Om onze frustratie te bekoelen namen we snel onze toevlucht tot de bomen links van de weg waar we ons direct veel meer op ons gemak voelden met bekende soorten als Hamsteroortje (Normandina pulchella), Verzonken schriftmos (Opegrapha rufescens) en een hele reeks bruine boomschildmossen waaronder een plukje van het het eerder zeldzame Lobjesschildmos (Melanohalea laciniatula). Een schaduwmos (Phaeophyscia) met overwegend duidelijke lipsoralen, brede afgeronde lobben en een egale groene kleur konden we niet anders dan Lipschaduwmos (Phaeophyscia endophoenicea) noemen ook al konden we de rode kleur van het merg niet vinden (Foto 2). En aangezien we geen toelating hadden om te verzamelen konden we het niet meenemen om nadien grondiger te bestuderen. De echte ingang van het reservaat bereikten we pas tegen de middag. Na de boterhammen gingen we onder meer op zoek naar Oranje wimpermos (Teloschistes chrysophthalmus) waarvan de aanwezigheid in het reservaat van één exemplaar bekend was. Op dit ogenblik is dit de enige bekende Belgische groeiplaats van deze soort. Het betreffende exemplaar zag er vrij verdroogd uit (ondanks de regen). In de steengroeve zelf verkenden we grondig talrijke rotsblokken en her en der verspreide bomen. Niet alles kon met zekerheid gedetermineerd worden. Er werden veel foto’s genomen met de bedoeling ons achteraf toe te laten toch een een aantal van de onbekenden op naam te brengen. Om de dag af te sluiten bekeken we nog een laatste stuk rotswand waarbij we twee bijzondere soorten konden aantreffen: Caloplaca demissa (Foto 3) (geen Nederlandse naam) waarover we vruchteloos zochten naar meer informatie in de verschillende veldgidsen die we meehadden en Rotsvingermos (Physcia dimidiata) (Foto 4) die thuis achteraf gemakkelijk te determineren bleek met behulp van afbeeldingen op het internet. Kenmerkend voor deze laatste zijn de berijping van de lobben en de grijzige soralen. Uiteindelijk konden we de lijst afsluiten met 113 soorten. Als we onze soortenlijst vergelijken met de lijst van 115 soorten opgemaakt door Ertz in 2011 (http://www.heiddesgattes.be/) hebben wij 47 extra soorten toegevoegd en hebben we ongeveer evenveel andere soorten(48) niet herkend of ontmoet. Vermoedelijk is dit minstens ten dele een gevolg van verschillen in de gevolgde weg. Het reservaat is dus in elk geval nog veel rijker aan lichenen dan we zelf hebben kunnen vaststellen.

Foto 1. Dijkenlichtvlekje – Bacidia cf. viridifarinosa (Foto Leo Vanhecke)

Foto 2. – Lipschaduwmos – Phaeophyscia endophoenicea (Foto Leo Vanhecke)

Foto 3. – Caloplaca demissa (Foto Leo Vanhecke)

Foto 4. – Rotsvingermos – Physcia dimidiata (Foto Leo Vanhecke)



Onder een stralende voorjaarszon bezochten we het beschermde weidenlandschap tussen Zolegem en Honegem, ten NW van de Dorebeek). We, dat waren 10 leden van de werkgroep (4 voor de mossen, 6 voor de korstmossen) en 5 leden van de lokale natuurpunt-afdeling op wiens verzoek de excursie georganiseerd werd als een inleiding tot de studie van mossen en korstmossen.


Beide werkgroep-afdelingen zochten al gauw hun eigen weg en het hierna volgende verslag richt zich alleen op de korstmos-excursie. Dries deelde zijn beknopte sleutels uit om de korstmossen op bomen en steen te determineren en het was ook grotendeels hij die zich verder over de begeleiding van de leergierige Natuurpunt-leden ontfermde. Het excursiegebied bestond in essentie uit een soort dreef of landweg die aan grasland en populierenbos grensde. Zoals het vaak gaat op korstmos-excursies heeft in het begin van de excursie elke boom, elk paaltje van een afsluiting wel iets nieuw te bieden. Mede door het intensieve gebruik van de sleutels beperkte het voormiddagtraject zich daardoor tot een honderdtal meter. De mossenmensen waren toen al lang uit het zicht verdwenen. In dit eerste gedeelte waren het vooral stikstofminnende soorten die gevonden werden en dit bijna exclusief op populieren (omdat er ook weinig of geen andere boomsoorten stonden). Heel frequent, en meestal dominant op de populieren waren Groot dooiermos (Xanthoria parietina) en Kapjesvingermos (Physcia adscendens) naast minder dominante soorten als Grauw rijpmos (Physconia grisea), Gewoon purperschaaltje (Lecidella elaechroma), Rond schaduwmos (Phaeophyscia orbicularis), Dun schaduwmos (Hyperphyscia adglutinata) e.a.


Op de betonnen paaltjes van de weide-afsluitingen was groot dooiermos eveneens heel frequent, naast soorten als oranje dooiermos (Xanthoria calcicola), Kastanjebruine schotelkorst (Lecanora campestris), Kalkschotelkorst (Lecanora albescens), Verborgen schotelkorst (Lecanora dispersa), Steenpurperschaaltje (Lecidella stigmatea), Bleke stippelkorst (Verrucaria ochrostoma), Gewone citoenkorst (Caloplaca citrina), Stoffige citroenkorst (Caloplaca decipiens),Valse citroenkorst (Caloplaca flavocitrina) en Kleine geelkorst (Candelariella aurella). De oogst van de dag op beton is verder nog te vervolledigen met Kerkcitroenkorst (Caloplaca ruderum), Steenglimpschoteltje (Lecania rabenhorstii), Muurschotelkorst (Lecanora muralis), Stoeprandvingermos (Physcia caesia), Donkerbruine schotelkorst (Rinodina oleae) ...


Na de middagpauze, aangesterkt door de soepbedeling aangeboden door Natuurpunt, vervolgden we onze weg langs de populieren van de landweg en, ons verwijderend van de hoeve verantwoordelijk voor de eutrofiëring, begonnen vrij snel de dooiermossen zeldzamer te worden en de vertrouwde bladvormige en struikvormige soorten van minder ge-eutrofieerde omstandigheden te verschijnen, met soorten als Eikenmos (Evernia prunastri), Trompettakmos (Ramalina fastigiata), Groot schildmos (Parmotrema perlatum), Schilferig schildmos (Hypotrachyna afrorevoluta), Bosschildmos (Flavoparmelia caperata) en Verstop-schildmos (Melanelixia subaurifera). Op de eerder weinig talrijke eiken vonden we Gewoon schildmos (Parmelia sulcata), Glanzend schildmos (Melanelixia glabratula), Melig takmos (Ramalina farinacea) en Witstippelschildmos (Punctelia borreri). Beide andere Stippelschildmossen, Gestippeld schildmos (Punctelia subrudecta) en Rijpschildmos (Punctellia ulophylla) troffen we nog aan op populier.


In het algemeen betrof het dus vrij algemene tot zeer algemene soorten. Een volledige lijst met de namen van de waargenomen soorten kan men vinden in bijlage. Zeker vermeldenswaardig is nog dat niet minder dan vijf verschillende Schriftmossen (Opegrapha)-soorten konden op naam gebracht worden: Klein schriftmos (Opegrapha niveoatra), Geel schriftmos (Opegrapha ochrocheila), Verzonken schriftmos (O. rufescens), Kort schriftmos (O. varia) en voorts een soort die nog niet eerder in België waargenomen werd en waarover een aparte mededeling zal verschijnen. Ook de aanwezigheid van Fors rijpmos (Physconia distorta) op wilg, een soort die eerder in het zuiden van het land aan te treffen is, is ongewoon.


Bijgaand ook enkele momentopnamen over de excursie en enkele foto's van waargenomen soorten.


In samenwerking met

© 2023 by "VWBL". Proudly created with Wix.com

bottom of page