De Werkgroep Bryologie en Lichenologie (WBL) is de werkgroep voor mossen- en korstmossenonderzoek in Vlaanderen. Regelmatig organiseren wij excursies waarbij het determineren en inventariseren van deze groepen centraal staat. Op deze activiteiten zijn zowel beginners als kenners van harte welkom. Verder verricht WBL onderzoek naar deze miniatuurnatuur en delen we onze kennis met éénieder die erin geïnteresseerd is.
 

De WBL excursies gaan onder de huidige COVID19-maatregelen door, maar zijn beperkt in aantal deelnemers.

We vragen daarom om tijdig je deelname aan te vragen bij de excursieverantwoordelijke vermeld in de kalender.

Nieuws

Het Kravaalbos hadden we al eens eerder bezocht met de Antwerpse Mossenwerkgroep, bij barre weersomstandigheden, maar toch hadden we toen voldoende gezien om te weten dat dit een topgebied is.


En opnieuw waren de weergoden ons niet goed gezind, de heenrit verliep in een druilerige regen en dreigende wolken zouden ons de hele dag vergezellen. Bij de start van de wandeling hield de regen gelukkig op. We doken eerst een bronbosje in, met typische soorten als Gewoon diknerfmos (Cratoneuron filicinum), Beekdikkopmos (Brachythecium rivulare) en mooi kapselend Gesnaveld boogsterrenmos (Plagiomnium rostratum).


De weg naar het Kravaalbos leidde ons eerst langs enkele maïsakkers. Ze waren bezaaid met rozetten van Mariadistel (Silybium marianum), een nieuwe invasieve exoot ? Op een steilkantje langs de weg groeide Klein gezoomd vedermos (Fissidens viridulus) met Parelmos, één rijp kapsel bleek voldoende om er Gewoon parelmos (Weissia controversa) van te maken. Joost zag hier ook Klein snavelmos (Oxyrrhynchium pumilum).


De rand van een met mosterd ingezaaide akker was een echte speeltuin voor wie van akkermossen houdt: massaal Gerand blaasjesmos (Sphaerocarpos texanus), vergezeld van landvorkjes, Gewoon en Smal landvorkje (Riccia glauca en R. warnstorfii).


We doken het bos in, waar massaal sneeuwklokjes bloeiden. Op de essen konden we nogal wat epifyten noteren, maar enkel soorten die we tegenwoordig “gewoon” noemen. Ondertussen was het etenstijd geworden, maar we besloten onze honger nog wat te verdringen omdat de buien niet lang meer op zich zouden laten wachten en we gingen verder richting “Het Walleken” waar we vorige keer mooie kwelplekken gezien hadden met veel veenmos.


Aan het beekje hielden we even halt bij een oud stuwtje, waar we, net als vorige keer, Kalkvedermos (Fissidens dubius) en Slank snavelmos (Rhynchostegiella tenella) aantroffen. Wat later bereikten we ons einddoel met de veenmossen. Dominante soort was Gewoon veenmos (Sphagnum palustre), met hier en daar Gewimperd (S. fimbriatum) en Slank veenmos (S. flexuosum). Moerasveenmos (S. subsecundum) konden we niet terugvinden, wat we inzamelden bleek allemaal Amfibisch veenmos (S. inundatum) te zijn.


De honger kreeg de bovenhand en we keerden terug naar het beginpunt, waar we “bij Stinne” onze honger stilden. We waren net overeengekomen welke plek we nog zouden bekijken toen het water met bakken uit de lucht begon te vallen. We hielden het dan maar voor bekeken.

Voor ons traditionele nazomerweekend hadden we weer gekozen voor Noord-Frankrijk, ditmaal de Argonne, een streek die vooral bij vogelliefhebbers gekend is voor zijn vele (viskweek)vijvers.

Drie bryologen waren al op woensdagmiddag ter plaatse en bezochten een deel van het Forêt de Beaulieu in Beaulieu-en-Argonne. Daar viel al snel de rijke epifytenbegroeiing op: we hadden al bijna onmiddellijk drie roestmossen te pakken: Helmroestmos (Frullania dilatata) Flesjesroestmos (F. tamarisci) en Bros roestmos (F. fragilifolia). Ook andere, bij ons zeer zeldzame epifyten bleken daar algemeen: Klein tuitmos (Microlejeunea ulicina), Eekhoorntjesmos (Leucodon sciuroides), Glad en Groot kringmos (Neckera complanata en N. crispa). Op de boswegen stond veel Nerfloos eendagsmos (Ephemerum serratum).

Donderdagvoormiddag, de eigenlijke start van het weekend, bezochten we het Forêt domaniale de Haute Chevauchée in Varennes-en-Argonne. De mooiste vondsten hadden we daar in een diep dal waarin een klein beekje liep, bezaaid met zandsteenfragmenten. Deze waren volop begroeid met minuscule mosjes als Klein beekvedermos (Fissidens pusillus) en Lancetbeeksterretje (Dichodontium flavescens).

Na de middag trokken we naar een kalkrijk beekdal, “La Boussogne” in het Bois de Cheppy. In het beekje zelf vonden we watermossen als Beekmos (Plathypnidium riparioides) en Waterpluis-draadmos (Hygroamblystegium tenax). Op de oevers en in het bos waren typische kalkmossen present als Bol gladkelkje (Leiocolea badensis), Groot en Klein touwtjesmos (Anomodon viticulosus en A. attenuatus) en Ongezoomd sterrenmos (Mnium stellare). Leo vond nog een mooie populatie Weerhaakmos (Antitrichia curtipendula) op een wintereik.

Vrijdag trokken we naar het Forêt domaniale de Lisle vlakbij Belval-en-Argonne. Dat bleek weer een epifytenfestijn, alle bomen waren rijkelijk begroeid met Kringmossen (Neckera spec.) – ook Klein kringmos (N. pumila) – Groot touwtjesmos (Anomodon viticulosus), Roestmossen (Frullania spec.), Gewoon schijfjesmos (Radula complanata), Boomvorkje (Metzgeria furcata) en Gewoon pelsmos (Porella platyphylla). Maar die overdaad ging snel vervelen en we trokken terug naar het dorp waar we nog samen met onze collega’s-lichenologen konden lunchen.

Na de middag gingen we een van de vijvers bekijken die periodiek worden drooggezet. We hoopten daar was speciaals te kunnen ontdekken, maar de vijver stond helaas al te lang blank zodat we ons moesten troosten met soorten als Groot nimfkruid (Najas marina) en als kers op de taart het bezoek van de boswachter die ons een half uur aan het lijntje hield met alles behalve opwekkende verhalen over het natuurbeleid in de streek.

Om de dag nog goed te maken gingen we nog naar het nabijgelegen Bois du Détrapié in Lisle-en-Barrois, waar we dezelfde epifytenrijkdom vonden als ’s morgens met opnieuw Weerhaakmos (Antitrichia curtipendula) en ook wat soorten van dood hout: Geklauwd pronkmos (Herzogiella seligeri) en het fraaie levermosje Krulbladmos (Nowellia curvifolia).

Zaterdag brachten we de voormiddag door in een ander deel van het Forêt de Beaulieu. Veruit de interessantste plek was een holle weg met steile leemwanden, rijkelijk met (lever)mossen begroeid: Buidelmossen (Calypogeia spec.), Nerflevermos (Diplophyllum albicans), Lichtrandmos (Jungermannia gracillima) en zelfs een hauwmos: Geel hauwmos (Phaeoceros carolinianus). Dreigende onweerswolken maakten echter dat het te donker werd om mooie vondsten te doen en we besloten na een snelle lunch aan de auto maar huiswaarts te trekken.

Misschien hebben we de interessantste plekken niet gezien, maar we kwamen allen tot de slotsom dat de Argonne ongetwijfeld een zeer mooie streek is, maar dat er in onze eigen Ardennen veel rijkere plekken zijn op mossengebied en dat bovendien veel korter bij.

Afspraak om 9:00 uur aan de Sint-Lambertuskerk met aanpalend kerkhof.

De afwezigen hadden ongelijk is een uitspraak die weeral van toepassing was. De Sint-Lambertuskerk van Westerlo verdient het om uitgeroepen te worden tot hotspot voor lichenen! Velen konden er van genieten. We hadden een recordopkomst om het lichenologisch VWBL-jaar 2016 mee te beginnen, met maar liefst 15 lichenenliefhebbers: Bert Bogaerts, Daniel De Wit (foto's, verslag), Filip Fleurbaey, Karl Hellemans, Dirk Hennebel, André Peeters, Jacqueline Poeck, Jef Van Beek, Dries Van den Broeck (gids), Evert Van de Schoot, Lawrence Vanloffelt, Mia Verbist, Swan Victor, Karin Wauman(foto) en Micheline Wegh.

Enkelen konden het geduld voor een groepsfoto niet opbrengen!

Vooraleer te starten werd een deskundige introductie gegeven door Dries i.v.m. de wijze van werken en de opzet van de inventarisatie van uurhok D5.17, nl. de ’Atlas van Antwerpen’. Als lesgever kon hij zich direct uitleven aan de kerkmuur waarop al 10 verschillende citroenkorsten (Caloplaca) te zien waren, waaronder Caloplaca aurantia (Platte citroenkorst) en Caloplaca flavescens (Gelobde citroenkorst) die duidelijke indicatoren zijn van oud kalkrijk gesteente. Dit was nog maar een begin van de verwondering want bij het betreden van het kerkhof struikelde hij over Collema tenax (Dik geleimos) en Collema crispum (Gewoon geleimos) welke beide zeldzaam zijn in de Kempen. Toen hij zich terug oprichtte stopte het niet meer met de zeer zeldzame lichenen voor Vlaanderen, dankzij de ijzerzandsteen van de oude kerk. Zowel op gebied van substraat als van lichenen kregen we een keure van korstmossen voorgeschoteld. Wie heeft er al een Baeomyces rufus op steen gezien. Evernia prunastri (Eikenmos) en Punctelia subrudecta (Gestippeld schildmos) staan ook meestal op schors toch, hier hadden ze de ijzerzandsteen lief! De ijzerzandsteen was verder nog de gastheer voor Lecanora pannonica (Oosterse schotelkorst), Xanthoparmelia loxodes (Bruin hunnebedschildmos ). Merkwaardig is tevens het voorkomen van de heidebewoners (!) waaronder de reeds vermelde Baeomyces rufus (Rode heikorst) nevens Cladonia pocillum (Duinbekermos) geparasiteerd door Diploschistes muscorum (Duindaalder) en, voor het eerst in Vlaanderen, Micarea lignaria var. lignaria (Heideoogje). De deelnemers stelden voor om een ticketsysteem in te voeren om de lichenendiva’s te bewonderen. Micarea proberen we in een later artikel wat meer te duiden.


Geen kerkhof in Vlaanderen of er staan lindebomen op. Buiten de algemeen voorkomende epifyten konden we daarop Lecanora horiza (Donkere schotelkorst) opmerken. Dus met recht en rede moeten we deze plaats als een waardevolle locatie bestempelen en zeker ook in die zin beschermen tegen een mogelijke javelliseringsdrang van ijverige Kempenaren. Het is zelfs zo dat de plaats nog rijker moet zijn dan we al weten, want we hebben verschillende steriele lichenen niet kunnen determineren en de grondbewoners nog niet ten volle bekeken.

Maar we speelden het wel klaar om tegen de middag ons eerste opnamepunt af te ronden om de boterhammen te kunnen opeten in het warme zaaltje van de ‘Flierefluiters’. Een deel van de groep heeft dat spijtig genoeg wat te letterlijk opgenomen en het namiddagprogramma in warmere oorden willen doorbrengen.

Het domein van ‘de Merode’ heeft een aantal dreven waartoe we gedreven werden tijdens de namiddag maar het viel wat tegen want beuken waren in hun aanlegperiode blijkbaar geliefder dan eiken en het was dank zij een paar vlierstruiken dat we toch wat Lecania cyrtella (Boomglimschoteltje) zagen, buiten de ‘gewone’ soorten. We waren eigenlijk te verwend in de voormiddag, maar konden toch nog Burgoa angulosa, een lichenicole fungus zonder nederlandse naam, Jamesiella anastomosans (Aspergekorst), Opegrapha rufescens (Verzonken schriftmos) en Porina aenea (Schors-olievlekje) noteren als extraatje. De kouderesistente lichenologen trokken dan maar de laarzen aan en gingen richting broekbos in de Kwarekken, een natuurgebied langsheen de Grote Nete die wilgen en populieren herbergt. Vertrekkend van een parking in de Broekstraat konden we de Nete volgen en de aangrenzende weilanden en broeken onderzoeken. De meest in het oog springende lichenen waren Anisomeridium polypori (Schoorsteentje), Arthonia spadicea (Inktspatkorst), Lecania naegelii (Rookglimschoteltje) , Lecanora symmicta (Bolle schotelkorst), Micarea denigrata (Vulkaanoogje), Opegrapha ochrolechia (Geel schriftmos), Psilolechia lucida (UV-mos), Trapeliopsis flexuosa (Blauwe veenkorst) en Xanthoria ucrainica (Polycauliona ucrainica voor de gevorderden), voorheen X. candelaria (Kroezig dooiermos) genoemd.

Een sterk uitgedund groepje kon niet naar huis zonder de vertrouwde laanbomen te bekijken waarop meestal een rijk gamma schildmossen staat te pronken. Dus op naar de Boerenkrijglaan in Westerlo en inderdaad ze waren er, en zo konden we in leuk gezelschap en voldaan onze vondsten van de dag bespreken in het koffie- en theehuis ‘De Flaneur’.

In samenwerking met

© 2023 by "VWBL". Proudly created with Wix.com